Moord in het Onland
Kloosterlaan, Gaanderen
(Update tekst 04-02-2025)
De bezorgde ouders van Rinie Wielheesen zetten in de avond van de vijfde februari 1970 een zoektocht op touw, als hun dochter niet op de verwachte tijd terug is van gymnastiek in Gaanderen. Na een uur speuren ziet een buurjongen haar fiets liggen. Toegesnelde politiemannen treffen het lijk van Rinie geheel ontkleed aan in een stukje bos langs de Kloosterlaan. Vader Wielheesen aanschouwt volledig ontredderd het gruwelijke tafereel.
Over de nooit opgeloste moord op dit 12-jarige meisje is veel informatie beschikbaar. Als u zich hierin verder wilt verdiepen, raden wij u de podcasts aan van Eric Schuurman en Joost Engelberts. Ook De Gelderlander besteedde aandacht aan deze zaak. Onder dit artikel hebben we een aantal links geplaatst.
Medewerkers van OCC Culemborg zijn in juni 2023 diverse keren naar het politiebureau in Arnhem geweest om het geanonimiseerde politiedossier van deze zaak in te zien. Hieruit zijn nog niet eerder gepubliceerde gegevens naar boven komen borrelen, die mogelijk toch weer andere inzichten bieden. Daarnaast zijn we datzelfde jaar door een tipgever op een spoor gezet, dat mogelijk een overeenkomst heeft met die nieuwe informatie uit het dossier.

Het misdrijf
Donderdagavond 5 februari 1970. De temperatuur in de Achterhoek ligt rond het vriespunt; het is koud, bewolkt weer en bijna nieuwe maan. De 12-jarige Rinie Wielheesen heeft getraind bij de gymnastiekvereniging Prinses Beatrix, want de week erna heeft ze een uitvoering. Ze stapt tussen 19.15 en 19.20 uur op de fiets van haar oudere zus om over de Kerkstraat naar huis te rijden.
De boerderij waar Rinie woont, ligt net buiten het dorp Gaanderen aan de Kloosterlaan. Via de afslag bij Het Onland fietst ze de donkerte in. De buitenlamp van haar woning is het baken waar ze op afkoerst. Ze wordt rond half acht terugverwacht.
Vervolgens wordt Rinie op nog geen honderd meter van haar huis met fiets en al de bosjes ingesleurd. Later verklaart haar moeder dat zij op dat moment in de keuken stond en door het raam twee fietslampen zag, die langzaam doofden. Dat moet Rinie geweest zijn.
Het jonge meisje wordt door de dader met haar eigen sjaal gewurgd en bruut verkracht. De moeder blijkt op dat moment een gil gehoord te hebben, die haar man ter geruststelling afdoet als geluid uit de koeienstal. Ook dat moet Rinie geweest zijn….
Zoektocht
Rinie’s ouders verlaten rond 19.45 uur ongerust het huis als hun dochter maar niet thuiskomt. Vader Wielheesen stapt in zijn auto en gaat richting het gymnastieklokaal in Gaanderen, niet wetende dat hij op dat moment voorbij de plaats delict rijdt. Wielheesen zegt later dat hij bij het Onland een man met een fiets heeft gezien. De vader krijgt bij de gymzaal te horen dat Rinie inderdaad tegen tien voor half acht is vertrokken. Hij rijdt langzaam dezelfde route terug en tuurt vooral in de bermen en naar de Bielheimerbeek, die destijds een stukje langs de Kerkstraat liep. Nergens ziet hij iets of iemand liggen. De angst slaat hem om het hart. Vader Wielheesen rijdt weer naar zijn boerderij. Misschien zit Rinie wel binnen en heeft ze deze keer het pad binnendoor, langs Huize Rekhem, genomen. Het blijkt ijdele hoop. En ook buren hebben Rinie niet gezien.
Om 20.10 uur besluit vader Wielheesen aangifte van vermissing te gaan doen bij de politiepost in Gaanderen. Een buurjongen rijdt met hem mee. Tegen een dienstdoende politieman zegt Wielheesen: “Ik ben ervan overtuigd dat er iets met haar gebeurd moet zijn; zij is vast vermoord of ontvoerd. Ik verzoek u dan ook direct een onderzoek in te stellen.” De agent noteert als tijdstip van aangifte 20.25 uur.
Na het bezoek aan de politiepost wordt de zoektocht uitgebreid. Rond de klok van negen uur ziet een andere buurjongen in het schijnsel van autolampen een fiets liggen in de bosjes aan de Kloosterlaan. De gealarmeerde politiemannen vinden samen met vader Wielheesen enkele meters verder de gewurgde en ontklede Rinie. Haar sjaal is om de bovenbenen gebonden en om haar nek geslagen. De das is zo strak aangetrokken, dat haar benen gespreid zijn. Rond haar lichaam liggen her en der kleren. De dader heeft beestachtig gehandeld; er zijn bloed- en andere sporen.
Het onderzoek
De recherche van de gemeentepolitie Doetinchem start onder leiding van hoofdinspecteur G. Oosterhof haar onderzoek. Men krijgt hulp van de rijkspolitie Hummelo en Keppel (Laag-Keppel) en van een team opsporingsdeskundigen van het ministerie van justitie uit Den Haag. Hoewel het politiedossier duidelijk incompleet is, komen we in de drie overgebleven delen toch erg veel onderzoeksgegevens te weten. Vooral de ‘sporen’ worden in detail beschreven. We zullen ons hier tot de belangrijkste gegevens beperken.
Met aangetroffen slijm van de dader voert men een bloedgroeptest uit, die maar beperkt resultaat oplevert. Op het hemdje van Rinie zit sperma. Verder wordt een schaamhaar op de sjaal gevonden. Ook heeft men twee hoofdharen kunnen veiligstellen, die niet van het slachtoffer zijn; ze blijken uitgerukt. Eentje heeft de kleur bruin, de ander iets lichter bruin, maar ze kunnen volgens het rapport ‘zeer goed van hetzelfde hoofd zijn’. De gevonden schaamhaar is rossig van kleur. Veel kleine bloedinkjes in de nek wijzen op het krachtig aantrekken van de wollen sjaal. De onderzoekers vinden ook sporen, die erop wijzen dat Rinie al direct op het, tegen de bosrand gelegen, fietspad is gewurgd en pas daarna het bos ingesleept.

De politie trekt alles uit de kast
De rechercheurs gaan erg ver in het uitzoeken van details. Zo ontdekt men dat de dynamo van Rinie’s fiets niet tegen de band zat. En dat is gek, want de moeder had toch door het keukenraam twee fietslichten gezien? Het idee is dat de dynamo door het vallen van de fiets van stand kan zijn veranderd. Een test wijst dit achteraf ook uit.
De politie plaatst in de krant enkele oproepen aan getuigen om zich te melden en doet uiteraard een buurtonderzoek. ‘Buurt’ moet in dit geval zeer ruim genomen worden. Niet alleen de huizen rond de gymzaal, aan de fietsroute en bij de plaats delict worden bezocht. Men werkt systematisch het grootste deel van Gaanderen en Doetinchem-Oost af. (Inclusief de nieuwe wijken)
De plaatselijke KPJ (Katholieke Plattelands Jongeren) wordt ondervraagd. Deze club heeft op 5 februari een vergadering in café Het Onland. Leden van een scoutingclub zijn op dezelfde avond in de blokhut in de Wrange een muurtje aan het bouwen. Ook zij worden gehoord.
Het onderzoeksteam legt lijsten aan van personen die men wil spreken. Denk hierbij aan psychiatrisch patiënten van De Kruisberg in Doetinchem, ‘particuliere’ psychopaten, gasten van de Slangenburg, bij de politie bekende zedendelinquenten en een lijst met werknemers van de fabriek Pelgrim. Niemand wordt gespaard.
Ten slotte worden vanuit de bevolking namen genoemd van mensen waar men twijfels bij heeft. Die krijgen eveneens het gezag aan de deur. Het mag duidelijk zijn dat dit voor veel onrust in Gaanderen en omgeving zorgt.
Signalement
Na het onderzoek ter plaatse, uitgebreide verhoren en het natrekken van honderden tips komt de politie tot een voorlopig daderprofiel en verspreidt ze een signalement. De moordenaar moet een primitieve, ernstig gestoorde man zijn. Hij verplaatst zich mogelijk op een rammelende fiets met slecht werkende verlichting en komt hoogstwaarschijnlijk uit de directe omgeving van de plaats delict. Het signalement luidt: een jonge man tussen de 22 en de 27 jaar, rond de 1.80 meter, ovaal en vol gezicht, forse lippen en blond haar (niet lang).
Deze persoon wordt ergens tussen acht en kwart over acht op de Rekhemseweg opgemerkt door een dame die haar hond aan het uitlaten is. Zij omschrijft hem als iemand met ‘sprekende’ lippen en een bleke gelaatskleur, een arbeiderstype en geen louche figuur. De vrouw ziet hem bij de kruising met de Ellegoorsestraat en Koekendaalseweg. De man rijdt op een fiets richting Doetinchem, zwaar trappend en zonder verlichting. Hij kijkt haar nogal zonderling aan. (Notitie van de politie: door de verlichting bij de kruising kan de bleke gelaatskleur bedrieglijk zijn)
De verklaring wordt grotendeels bevestigd door een man uit Gaanderen die over de Rekhemseweg naar huis fietst en ongeveer om 20.15 uur ter hoogte van de Ellegoorsestraat zowel de tegemoetkomende fietser als de vrouw met de hond ziet. Hij geeft echter aan dat die man op een fiets zat waarvan het licht af en toe flauw brandde. De twee getuigen wijzen onafhankelijk van elkaar hetzelfde gezicht aan op een serie compositiefoto’s. Saillant detail is dat de vrouw later met grote stelligheid beweert de gezochte man op 27 maart nogmaals te hebben gezien, maar toen op een bromfiets in Gaanderen.
Een andere belangrijke melding komt van drie jongens, die even na Rinie dezelfde route rijden en voorbij het Onland vlak voor de afslag naar de Goorstraat een fietser tegenkomen. Zij kunnen hem niet goed omschrijven; het is op die plek, zonder straatverlichting, erg donker. Wel hebben ze het over een rammelend rijwiel, waarvan het licht flikkert. De politie houdt er sterk rekening mee dat de meldingen van beide locaties over dezelfde persoon gaan.
Kattenkwaad
Het is voor het onderzoeksteam erg lastig om een compleet beeld te krijgen van alle mensen, die tussen 19.00 en 20.30 uur de plaats delict passeren. Omdat niet iedereen reageert op oproepen van de politie, ontwikkelt men ook niet voor iedere tip een sluitende verklaring. Wel duidelijk is dat een van de drie jongens ter hoogte van de molenaar aan de Kerkstraat op zijn horloge kijkt en constateert dat het 20.05 uur is. Op de Kloosterlaan, 30 meter voor de splitsing met de Goorstraat, zien ze iemand op een fiets voorovergebogen aan de dynamo prutsen. Om kattenkwaad uit te halen schelden ze deze persoon uit en slaan snel linksaf de Goorstraat in.
Er is nog een andere melding van een man die tussen 20.05 en 20.10 uur over de Kommendijk en de Kloosterlaan richting Kerkstraat fietst om zijn moeder te bezoeken. Deze persoon heeft een onverlicht rijwiel zonder dynamo. Hij hoort op enige afstand jongensstemmen en ziet even later aan de silhouetten dat het er drie zijn. De politie gaat ervan uit dat dit de drie al genoemde jongens zijn. Dezelfde man ziet om ongeveer 20.10 uur ter hoogte van Het Onland de auto van Wielheesen de Kerkstraat inslaan en richting Gaanderen rijden.
De route die Rinie reed van de gymzaal tot haar huis. Een ritje van nog geen twee kilometer. Of nam ze het pad binnendoor? De luchtfoto is uit 1964:
Luchtfoto van www.dotkadata.com.
Nog meer fietsers
Als beide verklaringen kloppen, betekent dit, dat er nog iemand tussen deze fietser en de drie jongens moet hebben gereden! Gaat men ervan uit dat de genoemde tijden redelijk accuraat zijn, dan zou het tevens inhouden dat de fietser, die op de Rekhemseweg richting Doetinchem reed, heel goed dezelfde kan zijn geweest als degene die door de jongens is uitgescholden. Het bepalen van de juiste tijdstippen is echter zeer moeilijk met dit soort onderzoek; men werkt daarom vaak met een onzekerheidsmarge. Ook in dit geval moeten we dus een slag om de arm houden.
De politie stelt 19.25 uur vast als het meest waarschijnlijke tijdstip van de dood van Rinie. Ook geeft ze als inschatting dat de dader tot uiterlijk 19.50 uur op de Kloosterlaan aanwezig is geweest. De vraag is of de onbekende fietser, die door de jongens is gezien, dan nog relevant is. Een dossier dat we eind 2023 hebben ingezien, biedt ons qua tijdlijn meer duidelijkheid dan we tot dat moment hadden. Die tijdlijn maakt het een stuk minder waarschijnlijk dat de man met de rammelende fiets de moordenaar van Rinie is. Hij zou dan na zijn misdaad nog een kwartier tot twintig minuten op de plaats delict hebben rondgehangen of opnieuw zijn komen langsfietsen!
In april 1971 gaat de politie opnieuw bij vader en moeder Wielheesen op bezoek om alle verklaringen nog eens door te nemen. In het gespreksverslag staat dat vader Wielheesen, toen hij met zijn auto naar de gymzaal in Gaanderen reed, om ongeveer 19.50 uur aan het eind van de Kloosterlaan een man voorovergebogen naast zijn rijwiel zag lopen. Dit had hij overigens een jaar eerder ook al verklaard. De politie denkt dat hij zich vergist en dat dit tijdstip 20.10 uur moet zijn, toen Wielheesen voor de tweede keer richting Gaanderen reed. Ze denkt dit, omdat het dan zou matchen met de verklaring van de man met het rijwiel zonder verlichting die zijn moeder ging bezoeken. Als vader Wielheesen dit, in alle consternatie van destijds, wel correct onthouden heeft, dan is hij op dat moment misschien de moordenaar van zijn dochter voorbijgereden!
Toevallige ontmoeting?
Een broer van een vriendinnetje van Rinie meldt zich een aantal dagen na het drama eveneens bij de politie. Hij is op de bewuste avond tussen 7 en 8 vanuit Doetinchem, langs de afslag Kloosterlaan, over de Kerkstraat naar huis gefietst. Hij verklaart bij het Onland niks bijzonders gezien te hebben en daarmee lijkt de kous af. De onderzoekers hebben in de kleding van Rinie echter een naamlabel van genoemd vriendinnetje gevonden, dat deze waarschijnlijk bij het gymnastieklokaal heeft laten vallen. De politie ziet een scenario waarbij Rinie de broer, die zij goed kende, bij het begin van de Kloosterlaan is tegengekomen en het naamlabeltje een onderwerp voor contact was. Hoewel men de situatie verdacht vindt, wordt deze optie niet verder uitgewerkt.
Het vriendinnetje had overigens de dag na de moord al aan een politiefunctionaris verteld, dat ze van de gymleraar, die de naamstrookjes voor de leerlingen maakte, een nieuwe had gekregen, omdat ze de hare kwijt was. En ze had van klasgenootjes gehoord dat Rinie haar naamlabeltje gevonden had en bij zich gestoken. Hier komen we later nog op terug.

Sokkenpater
Ook de paters van de St. Willibrordsabdij op landgoed De Slangenburg liggen onder het vergrootglas. Er zijn, zeker voor de bevolking, gedragingen die een verdenking plausibel maken. In de jaren negentig kwam aan het licht dat de zgn. sokkenpater Anton Otten, die kapotte sokken van de paters ter reparatie naar gezinnen bracht, zich decennia daarvoor meermaals aan een meisje had vergrepen. Er volgden daarna meer aangiftes. Met dat gegeven is het niet vreemd dat men ten tijde van de moord op Rinie ook hem onder de loep neemt. Pater Otten blijkt echter voor de bewuste avond een alibi te hebben. Hij was op dezelfde bruiloft waar ook de zus van Rinie vertoefde. De politie noteert in haar dossier dat de Abdij zich openhartig opstelt met het verstrekken van gegevens.
Kippenpater
En dan is er nog de ‘kippenpater’. Deze pater belt kort na de moord aan bij de familie Grob, die vlak bij de plaats delict woont. Hij zit onder het bloed en zand en wil zich graag even verschonen, voordat hij naar zijn medebroeders in de abdij gaat. De brildragende pater verklaart vanwege zijn slechtziendheid met zijn fiets te zijn gevallen.
Na het bekend worden van de moord op Rinie meldt mevrouw Grob dit vreemde voorval bij de politie in Doetinchem. De familie heeft daarna altijd het gevoel gehouden dat de politie hier geen werk van heeft gemaakt. Rechercheur Hein Reuvekamp zegt in de podcast van Eric Schuurman dat dit wel allemaal onderzocht is en niets heeft opgeleverd. Deze geruchten zouden volgens hem alleen maar in stand blijven omdat de zaak nooit is opgelost.
Bij deze tegenstrijdigheid moet aangetekend worden, dat het er op lijkt dat de recherche pas in de zomer van 1972 personen is gaan horen die de kippenpater goed gekend hebben. Hij wordt door een aantal van hen omschreven als een gevaarlijke gek, die meisjes lastigviel. De politie zelf omschrijft het als volgt: er is sprake van een agressieve instelling en seksuele interesse bij deze pater. Wij vragen ons wel af hoe logisch het is dat iemand, die net een verkrachting en moord gepleegd heeft, vervolgens in de buurt bij mensen binnengaat om het bloed af te wassen!
Getrouwd
Uit later onderzoek is ons gebleken dat de politie wel degelijk paters heeft nagetrokken en ook meerdere keren in het klooster is geweest. De rechercheurs hebben enkele gesprekken met pater Van den Biesen gevoerd. Ze vragen hem rechtstreeks of de kippenpater de moord kan hebben gepleegd. Van den Biesen trekt daarbij een zuinig gezicht en laat het verder in het midden. Van de kippenpater kunnen we nog zeggen dat hij in oktober 1969 al verhuisd is naar een andere plaats in Gelderland. Wel komt hij af en toe nog op bezoek in de Slangenburgse abdij en bij een paar families in de buurt. Hij keert in maart 1970 het klooster echter definitief de rug toe en is enkele jaren later getrouwd.
Worden er paters overgeplaatst?
In de jaren na de moord vertrekken er meer paters uit de abdij. Conclusie is al gauw dat het te heet onder de voeten wordt. Geruchten over paters die na de moord respectievelijk naar Frankrijk, Duitsland en Australië zijn gegaan, worden door de politie gecontroleerd zonder dat daar iets bijzonders uitkomt.
Uit een artikel in Trouw van 23 mei 1998 blijkt dat paters vooral om andere redenen het klooster verlieten. Er zou zich in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw een soort van richtingenstrijd hebben afgespeeld, waarbij de ‘traditionelen’ bleven en de ‘vernieuwers’ hun biezen pakten. Overigens willen we wel vermelden dat de kerk het wantrouwen in dit soort zaken aan zichzelf te wijten heeft. Decennialang heeft ze pervers en crimineel gedrag van sommige geestelijken in de doofpot gestopt. Het rapport uit 2011 van de commissie Deetman spreekt wat dat betreft boekdelen.

Het binden van de sjaal
De politie heeft vanaf het begin speciale aandacht voor de manier waarop Rinie met haar sjaal gebonden is. Het gedeelte met knoop lijkt over het hoofd in de nek getrokken, nadat de knoop al is gelegd tussen de benen. Men buigt zich niet alleen over de vraag welk daderprofiel hoort bij zo’n afschuwelijk misdrijf, maar zoekt ook naar werkzaamheden of culturen waarin een dergelijke wijze van binden voorkomt.
Volgens het politiedossier worden de foto’s van het slachtoffer en de plaats delict besproken op een recherche-studiedag, die toevallig de week na de moord plaatsvindt in Oosterbeek. Vanuit deze groep experts worden twee mogelijkheden geopperd. Ten eerste zouden mannen met ervaring als verpleger ondervraagd moeten worden. Een ziekenhuisdirecteur verklaart, dat de manier van binden inderdaad wel wordt toegepast in de gynaecologie.
Daarnaast stelt men dat de wijze van knopen en binden in Japanse, Chinese en Indonesische culturen wordt toegepast. Op basis hiervan leggen onderzoekers een lijst aan van oud-Indiëgangers en Korea-vrijwilligers. Ze zijn trouwens niet blij met een bericht in de Telegraaf over die speciale manier van binden. Hierdoor bestaat er geen informatie meer, die alleen bij de dader bekend is. De theorie over de specifieke wijze waarop de sjaal gebruikt is, lijkt al snel tot succes te leiden.
Begin maart wordt de Indië-veteraan G. aangehouden, die op zedelijk gebied al het een en ander op zijn kerfstok heeft. Zijn eigen broer en een caféhouder zien hem als een mogelijke dader. Hij is op de avond van 5 februari tot 19.00 uur bij zijn zus geweest en vanaf ongeveer half negen in een café, maar voor de tussenliggende periode kan hij geen alibi verschaffen. G. oogt tijdens zijn verhoor op 6 en 7 maart erg rustig; hij neemt het echter niet zo nauw met de waarheid. De man werkt wel vrijwillig mee aan bloed- en haaronderzoek als hij begrijpt dat zijn gebrek aan alibi een probleem is. Hier komt geen expliciet positief resultaat uit. G. wordt vervolgens op 25 maart aan het einde van de dag ‘heengezonden’; omdat het bijna middernacht is, verlaat hij zijn cel pas de volgende ochtend.
Het onderzoek ontspoort
Eind maart gaan de ontwikkelingen met het politie- en justitieapparaat (Openbaar Ministerie Arnhem, rijkspolitie en gemeentepolitie Doetinchem) op de loop. Dat men daar door de manier van opereren zelf een groot aandeel in heeft, is een deel van de leiding dan nog niet duidelijk. Ene Jan S. uit Doetinchem is aangehouden voor het aanranden van een jonge vrouw te Drempt, ongeveer 20 kilometer van Gaanderen. Onder zeer grote druk van politie en justitie bekent hij in het Huis van Bewaring te Arnhem de aanranding. En vervolgens in de loop van 25 maart ook de moord op Rinie; dit terwijl S. dat laatste niet gedaan kán hebben.
In het politiedossier is door de gemeentepolitie Doetinchem meerdere malen vastgelegd dat het verhaal van Jan niet klopt. Zijn alibi is door 13 mensen bevestigd. Ook kunnen met de verzamelde onderzoeksgegevens allerlei gaten in de verklaringen van Jan S. geschoten worden. Rechercheur Reuvekamp waarschuwt rijkspolitie en justitie tevergeefs dat ze met de zaak Wielheesen op het verkeerde spoor zitten. De Officier van Justitie denkt het beter te weten en beschuldigt de gemeentepolitie ervan Jan S. een vals alibi te verschaffen; het Doetinchemse korps is hier furieus over.
De groepscommandant van de rijkspolitie te Laag-Keppel en justitie zetten de formele aanhouding van Jan S. echter door en brengen de oplossing van de moord op Rinie direct groot in de pers. S. trekt later zijn afgedwongen bekentenissen in en wordt na vijf maanden in vrijheid gesteld. De gebruikte verhoormethodes in het onderzoek leiden zelfs tot Kamervragen. Conclusie van de staatssecretaris van Justitie: alles is volgens de procedures verlopen. In maart 1971 wordt uiteindelijk ook de werkelijke dader van de aanranding te Drempt aangehouden.
Uit de tijdlijn in de politierapporten komt naar voren dat Indië-veteraan G. na vier dagen voorlopige hechtenis is vrijgelaten. Overigens neemt justitie dit besluit pas nadat Jan S. bekend heeft de dader te zijn én nadat Reuvekamp heeft gewezen op de mogelijkheid van een valse bekentenis van Jan. Men noteert in het rapport over G.: “Algemene overtuiging dat hij de dader niet is.”

Voor de tweede keer de mist in
De geschiedenis van Jan S. herhaalt zich later met de 19-jarige bouwvakker Bart (ook wel Bennie) uit Westendorp. Eind 1970 heeft vader Wielheesen de politie gemeld dat deze Bennie zich op een vreemde manier ophield bij de plaats delict. Bij zijn tweede arrestatie in april 1971 legt Bennie, na eerder ontkend te hebben, een bekentenis af. De combinatie van een harde verhoormethode en een ietwat beperkte, suggestibele verdachte werpt ook nu zijn ‘vruchten’ af. Bennie blijft bijna een jaar in voorlopige hechtenis en wordt ter observatie opgenomen in een psychiatrische kliniek te Utrecht. Daar trekt hij tijdens gesprekken zijn bekentenis in.
Uiteindelijk komt hij wel voor de rechtbank, maar wordt direct na de zitting vrijgesproken, want “aan de bekentenis van Bart moet iedere bewijskracht worden ontzegd”, aldus de rechtbank in Arnhem. Men toont dit aan door simpelweg de verklaringen van Bennie te vergelijken met de bevindingen van de forensisch specialisten Jan Zeldenrust en E. R. Groeneveld. Hieruit komt overduidelijk naar voren dat de beweringen van Bennie niet kunnen kloppen.
In het Algemeen Dagblad van 6 april 1972 schrijft men hierover: “Voor de voormalige korpschef van de Doetinchemse politie, hoofdinspecteur G. Oosterhof – per 1 april is hij met pensioen – heeft altijd vastgestaan dat zowel Jan S. als Bennie S. Rinie niet kon hebben vermoord. Kort na het misdrijf was Bennie al eens verhoord. De Doetinchemse recherche zag toen geen reden hem langer vast te houden. Bennie werd pas gearresteerd toen de recherche van de rijkspolitie van het district Nijmegen en de rijksrecherche zich met het onderzoek gingen bemoeien.”
In een interview in de Telegraaf van 23 maart 1973 doet Bennie S. uitgebreid zijn verhaal.

Kritiek op politie en justitie
Het onderzoek leidt binnen de verschillende diensten tot onderlinge kritiek, maar ook externe vakgenoten buigen zich over de gevolgde werkwijze in de zaak Wielheesen. De Rotterdamse oud-hoofdcommissaris Jan Blaauw laat in zijn boek “Verdacht van moord – Reconstructie van zes dubieuze Nederlandse moordonderzoeken” de arrestatie van Jan S. nog eens de revue passeren.
Hij maakt een reconstructie en tijdlijn-analyse en is vernietigend in zijn oordeel. Jan S. had nooit zo lang in voorarrest mogen zitten. Het had voor iedereen duidelijk moeten zijn dat hij het misdrijf niet begaan kon hebben. Maar er moest en zou een dader worden opgepakt voor de moord op Rinie. Aanhoudende scorings- en promotiedrift van vooral rijkspolitie en OM speelden hierbij een grote rol.
Blaauw is dan ook niet verbaasd dat het onderzoek destijds in minder dan geen tijd op de klippen liep: “Er heerste een sfeer van volstrekt gefrustreerde verhoudingen tussen twee politiekorpsen (rijkspolitie en gemeentepolitie Doetinchem) onderling en later ook nog eens tussen het gemeentelijk politiekorps van Doetinchem en het Openbaar Ministerie in Arnhem, dat zich in deze zaak weinig kritisch-afstandelijk had opgesteld.”
Een citaat van de Doetinchemse oud-korpschef G. Oosterhof uit 1980, dat door Flip Versteegh in een artikel in de Gelderlander (ca. 2010) werd aangehaald, geeft de sfeer tussen de politiediensten en justitie in de jaren na de moord goed weer: “Vrouwe Justitia was in die tijd niet gewoon blind; stékeblind waren ze. (…) Over en weer kwam het tot spanningen. Het werd een zaak van leven of dood. Keihard heb ik eens gezegd dat ze fout zaten en daar waren ze wild over. Ze konden mijn bloed wel drinken. Ik mocht ook niet meer verder met het onderzoek.”
Terug naar af
Na de blamage van twee onterechte bekentenissen en gevangenzettingen pakt de politie het behoedzamer aan. In feite begint het onderzoek opnieuw en men richt zich wederom op de Indiëganger en de onbekende fietser. Ook brengt de gemeentepolitie Doetinchem een mysterieus briefje in de publiciteit dat al een jaar eerder, op de dag van de arrestatie en bekentenis van Bennie S., ontvangen was. Het is wat stuntelig gekrabbel in gebrekkig Nederlands. De tekst luidt: “Betreffende op de moord op Rinie Wielhezen, er moet met spoed een beloning op inlichting, welke tot de dader kan lijden, want er volgt weer een slachtoffer (ik weet wie die bewuste fietser is geweest).” Pogingen om de schrijver alsnog te achterhalen, leveren niets op.

Opnieuw de Indiëganger
Onderzoek van schaam- en hoofdhaar van de Indiëveteraan heeft de politie in 1970 niet verder geholpen. Toch blijft ze vraagtekens plaatsen bij het gat in zijn alibi. G. weet niet duidelijk te maken wat hij op 5 februari 1970 tussen 19.00 en 20.30 uur gedaan heeft. Men denkt dat hij voor die periode iets te verbergen heeft en probeert daar vergeefs achter te komen. Door het verhoren van familie en bekenden ontstaat wel een beter beeld van G.
Zo had hij in 1969 een affaire met de vrouw van een collega. Deze vrouw legt later een belastende verklaring tegen hem af. Als G. dronken was, werd hij seksueel gezien een beest. Hij wilde dan handelingen met haar verrichten die doen denken aan de situatie waarin Rinie is aangetroffen. Aan het eind van de zomer in 1969 had G. volgens de vrouw nog ‘geknoeid’ met haar dochtertje. Ook anderen melden dat G. seksueel agressief wordt, als hij dronken is. Hij verandert dan totaal. De man heeft in dronken toestand eens een 12-jarig meisje in zijn auto aangerand.
Privéproblemen
Verder blijkt uit het politiedossier nog het volgende. Op maandag 9 februari 1970 werd G. op staande voet ontslagen omdat hij dronken op zijn werk kwam. Ook had hij beloofd om in het weekend van 7 en 8 februari te zullen werken, maar was niet verschenen. Op de dagen daarvoor was hij nogal snauwerig tegen zijn collega’s. In een andere verklaring wordt verteld dat hij erg schrikachtig was in de tijd van de moord. De avond van 5 februari was hij in het café anders dan anders. Hij zat eerst geruime tijd stil in een hoekje met een krant en schoof pas later aan bij zijn vrienden.
De politie constateert dat dit opvallende gedrag ten tijde van de moord ook zou kunnen komen door privéproblemen. G. was gescheiden, zwierf nog wel eens rond en was vlak voor de moord uit zijn kosthuis gezet. De autoriteiten hebben alles bij elkaar te weinig harde feiten om verdere vervolging te rechtvaardigen.
Opnieuw de broer van het vriendinnetje
Ook de broer van Rinie’s vriendinnetje, die ten tijde van de moord langs het Onland kwam fietsen, wordt opnieuw doorgelicht. Bij nader inzien blijkt hij geen sluitend alibi te hebben. Een aantal politiemensen is al van begin af aan overtuigd, dat de jongeman de onbekende fietser en moordenaar is. Deze verdachte heeft een half uur langer over zijn fietstocht van Doetinchem naar Gaanderen gedaan dan gebruikelijk en kan daarvoor geen verklaring geven. In een artikel van Eric van der Vegt in De Gelderlander van 10 maart 2012 wordt uitgebreid stilgestaan bij dit scenario.
Begin februari 1972 vond een geheimzinnige insluiping plaats in het huis van Wielheesen. De recherche wist hierna een handpalmafdruk van de onbekende dader veilig te stellen. Deze afdruk heeft men meerdere malen gebruikt om te matchen met de verschillende verdachten van de moord op Rinie. Zo ook bij de broer van Rinie’s vriendin, echter zonder resultaat.
Het onderzoek naar deze insluiping krijgt in maart 1973 een verrassende wending, als er in Borculo iemand blijkt vast te zitten voor een soortgelijk vergrijp. Voor de zekerheid maakt men ook een afdruk van zijn handpalm. Deze is identiek aan die uit de woning van Wielheesen! De man heeft echter niets met de moord in 1970 van doen. Een scharrelaar dus, die regelmatig hier en daar binnenloopt.

Het naamstrookje
De politie borduurt in het nieuwe onderzoek ook voort op het destijds in de jas van Rinie gevonden strookje (lettertape) met de naam van haar vriendinnetje. Gedurende een maand is men bij verschillende bedrijven en instellingen op zoek naar lettertangen. Eentje wordt zelfs naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gestuurd om te laten checken of het strookje uit dat apparaat gekomen kan zijn.
Tijdens een bezoek aan de broer, die inmiddels zelfstandig woont, ontdekt men dat er op zijn slaapkamerdeur ook een groen strookje uit een lettertang zit geplakt. Men maakt plannen om hem aan te houden voor verhoor en gelijktijdig huiszoeking te doen. Deze acties vinden plaats in mei 1973. De politie is vooral geïnteresseerd in zijn dagboeken en een eventuele lettertang.
Beide aandachtspunten leveren niets op. Blijkbaar leefde men in de veronderstelling dat de broer die naamlabels geproduceerd zou kunnen hebben voor Rinie en haar gymgenootjes. Als men ter afsluiting van het onderzoek gaat praten met het vriendinnetje en haar ouders, krijgt men hetzelfde te horen als drie jaar eerder al verteld is: “De naamstrookjes zijn door de gymleraar gemaakt” en “Rinie had mijn strookje gevonden en in haar jaszak gestopt”. Wat is hier misgegaan in de communicatie bij de politie en het onderzoek?
De onderzoekers concluderen uiteindelijk dat uit niets blijkt dat de broer de dader van de moord is, maar ook dat er niets is dat hem definitief vrijpleit. Weet hij dan echt niet meer waar hij is geweest of wat hij heeft gedaan in het onverklaarde halfuur? Of vindt hij het té privé om dat prijs te geven? Het lijkt nooit helder te zijn geworden. Belangrijkst is echter dat hij tijdens de zeer stevige verhoren nooit op een leugen betrapt is kunnen worden. Waarschijnlijk heeft hij de pech gehad, dat hij op het verkeerde moment op de verkeerde plek was. Ten slotte merken we nog op dat de broer in ieder geval niet de onbekende fietser kan zijn geweest die door de drie jongens is gezien; op dat moment was hij al thuis.
Verdwenen dadersporen
In hetzelfde stuk van Van der Vegt in de Gelderlander wordt ook nog melding gemaakt van de hoofdharen die op de plaats delict zijn veiliggesteld en mogelijk aan de dader toebehoren. Hij doet hierover navraag bij het Forensisch Instituut, maar daar kunnen ze deze sporen niet meer vinden. (De schaamhaar was door gebruik bij vroeger onderzoek al verloren gegaan) Ook het hemdje van Rinie, dat besmeurd was met ‘bewijsmateriaal’, is niet bewaard gebleven. Dat zou in dit geval wellicht niet meer geholpen hebben, want de vrouw van rechercheur Reuvekamp had het destijds al gewassen….. We moeten bij het beoordelen van deze ogenschijnlijke flaters wel in gedachte houden, dat in 1970 de DNA-technologie zijn intrede nog niet gedaan had.
Hiermee zijn de mogelijkheden om sporen te achterhalen overigens nog niet uitgeput. In de NPO-podcast van Joost Engelberts vertelt Rinie’s zus dat zij beschikt over de staartjes van het slachtoffer; die waren destijds als tastbare herinnering afgeknipt. Theoretisch zou op deze haren nog DNA-materiaal van de dader aanwezig kunnen zijn. De staartjes zijn inmiddels door een gespecialiseerd bureau onderzocht.

Een nieuwe tip
Eind 2022 kregen we een bijzondere tip van iemand die vroeger in de Achterhoek heeft gewoond. Tijdens een afspraak in de bibliotheek van Doetinchem vertelde hij ons een opzienbarend verhaal over een persoon die hij ziet als mogelijke dader van de moord op Rinie Wielheesen. Een uitvoerig onderzoek heeft helaas niet alle onzekerheden kunnen wegnemen. We vinden de resultaten echter dermate interessant, dat we deze informatie toch naar buiten brengen. Hopelijk zijn er lezers die voor ons de ontbrekende gegevens kunnen en willen aanvullen.
De tipgever was ten tijde van de moord nog erg jong. Hij zegt op die vijfde februari oog in oog te hebben gestaan met de mogelijke moordenaar. Aan de hand van gesprekken die hij later met enkele direct betrokkenen heeft gevoerd, is hem duidelijk geworden wat er zich die avond zou kunnen hebben afgespeeld.
“Hou je bek!”
Zijn verhaal begon bij een groot bedrijf in Zelhem. Sommige medewerkers deden het werk voor deze onderneming naast de eigen bezigheden op de boerderij in het buitengebied. Medewerker Evert Braak (een gefingeerde naam) had met de leiding de vaste afspraak, dat hij tijdens de pauze tussen 19.00 en 20.00 uur eventjes met de fiets heen en weer mocht naar zijn ziekelijke vrouw. Op de avond van de moord was Evert echter niet op tijd terug.
De rest van het personeel was al weer geruime tijd aan het werk, toen hij om kwart over acht het terrein op kwam fietsen. Een leidinggevende, die buiten stond, voegde hem toe: “Wat ben je laat?” Braak snauwde terug: “Hou je bek!” Hij zag er besmeurd uit, met vuil op zijn kleren en bloed aan de binnenkant van een onderarm. Evert zette zijn fiets aan de kant, liep naar de toiletruimte en reinigde boven de spoelbak zijn bebloede arm. Daarna trok hij een soort van stofjas aan en ging weer aan het werk.

Dreigen met een bijl
Na de moord op Rinie Wielheesen zou de politie ook bij het Zelhemse bedrijf om informatie zijn geweest en mensen hebben ondervraagd. (In het politiedossier wordt inderdaad melding gemaakt van bezoek aan bedrijven te Zelhem) Een paar dagen daarna zou Evert Braak een leidinggevende hebben staan opwachten met een bijl. Hierbij vroeg een andere medewerker aan Evert: “Wat ga je daarmee doen? Het antwoord: “Ik ga hem kapotslaan!”
De leidinggevende werd gewaarschuwd; deze benaderde Evert van achteren en vroeg doodnuchter: “Ga je kippen slachten?” Braak is toen weggelopen. Onze tipgever denkt dat dit akkefietje te maken had met het bezoek van de politie. Evert zou de ondervraging hebben gezien en wellicht bang geweest zijn dat men informatie over hem had gegeven.
Hier maken we even pas op de plaats. Deze zaken speelden meer dan vijftig jaar geleden. Na al die jaren wil het geheugen van mensen soms wel eens zijn eigen varianten creëren. Op zichzelf staande voorvallen die op verschillende momenten plaatsvonden, worden dan in ons brein tot één samenhangende gebeurtenis geconstrueerd. En dan is het ook nog maar de vraag hoe accuraat de afzonderlijke feiten in het hoofd zijn vastgelegd. Eigenlijk is dit niets bijzonders, het gebeurt ons allemaal. Alleen moeten we er in ons onderzoek wel erg op bedacht zijn. Onze tipgever is zich daar zeer van bewust en heeft ook steeds gedeeld wanneer hij over bepaalde mededelingen niet zeker is. Daar tegenover staan de vele details die voor hem wel klip en klaar zijn. Waar mogelijk hebben we geprobeerd zijn verhaal te verifiëren.
Van Zelhem naar Kloosterlaan?
Ten eerste hebben we samen met de tipgever gecontroleerd of het voor Evert Braak qua tijd überhaupt mogelijk is geweest om deze misdaad te plegen. We weten dat Rinie rond 19.25 uur is gewurgd en dat de dader uiterlijk om 19.50 uur weer verdwenen was van de Kloosterlaan. Een fietstocht binnendoor van het bedrijf in Zelhem naar de plaats delict duurt, uitgaande van 17 km. per uur, zo´n 25 minuten. De Zelhemse locatie lijkt dus in eerste instantie nogal uit de richting te liggen, maar als je bedenkt dat Evert Braak om 19.00 uur vertrok en om 20.15 uur weer terug was, dan ontstaat welhaast een perfecte tijdlijn!
Vervolgens hebben we geprobeerd te achterhalen waar Evert Braak en zijn vrouw woonden. Hierbij deed zich het probleem voor dat de echte naam van Evert nogal veel voorkwam. Een van de personen met die naam bleek toevallig ook een oud-Indiëganger én had een dubieuze reputatie op zedelijk gebied. Dat wekte uiteraard onze speciale interesse. Die reputatie wordt inmiddels van meerdere kanten bevestigd. Er zijn verklaringen van slachtoffers en familieleden die spreken over aanranding, verkrachting en incidentele aanhouding door politie. Hij lijkt wat daderprofiel betreft dus erg op de andere verdachte, die in maart 1970 na diverse verhoren weer was heengezonden.
Navraag of het hier werkelijk om dezelfde Evert Braak gaat, leverde tegenstrijdige antwoorden op. Een ander probleem is dat onze tipgever altijd begrepen heeft, dat Evert in ‘de richting van Slangenburg’ woonde. Evert de Indiëveteraan kwam destijds, voor zover nu bekend, uit een andere hoek. Ook dient gemeld te worden dat de op de plaats delict gevonden haren niet direct in zijn richting lijken te wijzen. Moeten we wellicht op zoek naar een naamgenoot of zitten we met deze tip op dood spoor? Als u het verhaal van de tipgever, of delen daarvan, herkent en u wilt daar iets over kwijt, stuur ons dan een bericht.
Bronnen:
Podcast van Eric Schuurman
Podcast Onland van Joost Engelberts NPO Radio 1
Dagblad De Gelderlander, o.a. 10 maart 2012 en 30 januari 2021
De Graafschapbode 6 februari 1970 tot en met 25 mei 1973
J. A. Blaauw, Verdacht van moord. Uitgeverij de Fontein. Pag. 128 – 154
Politiedossier moordzaak Rinie Wielheesen
Delpher.nl (Zoekterm “Rinie Wielheesen”)
Deel dit artikel of lees het volgende verhaal over de moord op het pepermuntmeisje.
