De moord op het pepermuntmeisje
Koeweg, Harderwijk.
Woensdag 6 april 1955. De vijfentwintigjarige Dieuwerke van der Vlegel fietst, na haar werk als portierster/telefoniste bij het Veluws sanatorium Sonnevanck te Harderwijk, rechtsaf de Leuvenumseweg op. Het is rond half vier. Mevrouw van Mourik, die vlak bij Sonnevanck woont, ziet haar het terrein van de instelling afkomen. Dieuwerke gaat even een frisse neus halen en voor een collega in de stad nog een boodschap doen. Ze moet zich een paar uur later weer melden in het sanatorium voor haar avonddienst. Dieuwerke zal echter nooit meer terugkomen.
Het Gelderse vissersstadje Harderwijk, van oudsher tevens een garnizoensstad, telt in de jaren vijftig meerdere kazernes en vele duizenden militairen. Ook het naburige Ermelo fungeert als legerplaats. Van Dieuwerke is bekend dat ze gek is op mannen in uniform. Is de jonge vrouw door haar fascinatie het noodlot tegemoet gefietst?
Zoektocht
De directeur van Sonnevanck doet woensdagavond om half elf aangifte van vermissing van Dieuwerke van der Vlegel. Ze is om zes uur niet meer op haar werk verschenen en wordt ook niet op haar kamer aangetroffen. De ongeruste ouders komen de volgende ochtend van Grijpskerk naar Harderwijk. Het is duidelijk dat er iets goed mis is. Enkele dagen later wordt een zoektocht op touw gezet door een groep dienstplichtig marechaussees uit een naburige kazerne. Ze kammen het bos uit tussen Hotel de Stadsdennen aan de rand van Harderwijk en landgoed De Haspel aan de andere kant van Sonnevanck. Aan beide zijden van de Leuvenumseweg wordt met veertig man een strook van ongeveer 800 meter nagelopen. Dieuwerke wordt niet gevonden.

Bang vermoeden wordt bewaarheid
Op Tweede Paasdag, vijf dagen na de vermissing, vindt de familie Blanken de levenloze Dieuwerke in de bossen tussen Harderwijk en Ermelo. De heer Blanken vraagt aan een jongen en een meisje, die daar ook aan het wandelen zijn, of ze de rijkspolitie in Ermelo willen waarschuwen. Zelf blijft hij in de buurt van het gevonden lichaam. Als de politiemannen even later arriveren, brengt Blanken ze naar de plaats des onheils. Dieuwerke ligt in een dicht dennenbos achter de militaire schietbanen op ongeveer 800 meter van het sanatorium. Het betreffende bosvak bevindt zich aan de oostzijde van de Koeweg. Deze weg loopt van de Leuvenumseweg in Harderwijk naar het bosbad in Ermelo. Het slachtoffer ligt ongeveer zeven meter van een brandgang. Haar benen zijn vanaf dit pad te zien. Eerst vergewissen de politiebeambten zich ervan dat de vrouw werkelijk niet meer leeft. Als ze vervolgens de vindplaats verder in zich opnemen, constateren ze dat Dieuwerke niet op de gemeentegrond van Ermelo ligt, maar enkele tientallen meters over de grens in Harderwijk. Dus wordt ook de Harderwijker korpschef, inspecteur Kraaijenbrink, ter plaatse geroepen.
Plaats delict
Van wat de politiemannen op de plaats delict aantreffen, rapporteren zij onder andere het volgende. Dieuwerke ligt voorover, licht gekanteld en met de armen in een krampachtige houding. Haar gezicht zit in de holte van een konijnenpijp en is platgedrukt. Er plakt een beetje bloed op en in de omgeving van neus en mond en er kleven wat dennennaalden aan het gelaat. Om haar hals zit een grijze, wollen sjaal zeer strak aangetrokken, waardoor onder en boven de halsdoek een huidplooi is ontstaan. Verder draagt Dieuwerke een rood truitje en knalrode schoenen met een open wreef. Ze heeft een lichte, katoenen regenjas aan, waarvan de onderpanden op de rug enigszins opgepropt zitten. Haar zwarte wollen rokje is iets opgetrokken, waardoor de bovenkant van haar kousen en een streepje dijen zichtbaar zijn. Kortbij ligt de fiets van Dieuwerke scheefgezakt tegen een boom. Een meter of tien noordelijker vindt een agent twee kaartjes; één van de tram in Groningen en eentje van de bus Groningen – Hoogkerk. Ze treffen geen sporen van verdere mishandeling, aanranding of beroving aan.
De jongen, die de Ermelose politiemannen is gaan halen, gaf later aan dat een van hen het lichaam aan de schouders iets omhoogtrok om te checken of het echt om een dode vrouw ging. Hierbij veranderde het lijk enigszins van houding. In een later proces-verbaal verklaart deze politieman dat hij vindplaats en slachtoffer volledig onaangeroerd heeft gelaten. De jonge wandelaar voegt er aan toe dat hij dacht dat Dieuwerke er nog maar kort lag. Haar kleren waren namelijk droog, terwijl het de afgelopen dag en nacht toch flink geregend had. Dit was ook de politie opgevallen.

Pepermuntmeisje
Dieuwerke zag in 1930 het levenslicht in Grijpskerk, een klein plattelandsdorp in de provincie Groningen. Ze groeide op in een gemeenschap waar iedereen elkaar kende en de kerk nog een centrale rol in het leven van de inwoners speelde. Doetie, zoals ze ook wel genoemd werd, had één oudere zus. Dieuwerke voelde zich enorm aangetrokken tot mannen in uniform. Ze vond het niet alleen maar aantrekkelijk, een uniform bracht haar echt het hoofd op hol. Doetie ging bijvoorbeeld in de bus precies zo zitten, dat ze de chauffeur in de spiegel kon zien. Of ze volgde politiemannen in de nabijgelegen stad Groningen tijdens hun surveillance om pepermuntjes aan te bieden. Dat leverde haar in het Groninger korps de bijnaam ‘het pepermuntmeisje’ op. Haar zus schaamde zich af en toe voor het gedrag van Dieuwerke en haar vrije manieren tegenover geüniformeerde mannen. Ze vond dat gevaarlijk, omdat die daardoor meer van Dieuwerke zouden kunnen verwachten, dan er bij haar te halen viel.
Huidproblemen en vriendjes
Hoewel Dieuwerke nogal makkelijk op mannen afstapte, viel het toch niet mee om een vriendje te vinden. Reden was waarschijnlijk haar problematische huid. Ze had een pokdalig gezicht en was hiervoor onder behandeling bij een huidarts. Dieuwerke gebruikte enkele jaren een zalf, die een penetrante geur verspreidde. Ze ging hieronder gebukt, want ze wilde graag gezin en kinderen. Dieuwerke lag in Grijpskerk nog wel eens te huilen op bed. Haar zus kon er maar niet achter komen waarom dat nou was. Doetie heeft er nooit iets over willen zeggen. Wellicht had het iets te maken met wat een vriendin en collega wist te vertellen: Dieuwerke had in het voorjaar van 1952 ernstig liefdesverdriet.
Na de moord werden natuurlijk de mannen waar Dieuwerke mee omging door de politie onder de loep genomen. Hiertoe werden eerst familie en vrienden gehoord om de namen in beeld te krijgen. Twee daarvan kregen speciale aandacht. De eerste was iemand waar Dieuwerke regelmatig met naam en toenaam over sprak tegen haar familie, vriendinnen en kennissen. Probleem was alleen dat niemand deze man ooit gezien had. De politie heeft hem, ondanks uitgebreid onderzoek, niet kunnen vinden. Ook ontmoette Doetie begin jaren vijftig de militair Rein de Wit. (Dit is niet zijn echte naam) Later zouden hun wegen elkaar opnieuw kruisen in Harderwijk.

Werk
Doetie werkte eerst als receptioniste bij een bedrijf in Groningen. Eigenlijk wilde ze liever bij de politie, maar haar ouders waren daarop tegen. Ze heeft het daarna geprobeerd bij een ziekenhuis in Meppel en de Protestants Christelijke Reclassering, maar werd niet aangenomen. Een sollicitatie bij het sanatorium Sonnevanck was wel succesvol. Dieuwerke kon daar 15 Februari 1955 beginnen en tot verrassing van haar omgeving vertrok ze naar Harderwijk.
Begin april vertelde ze tegen een vriendin al weer weg te willen, ze had geen voldoening in haar werk. Ze ging dit tijdens het Paasweekend (9 tot 11 april) met haar ouders overleggen. Het was de bedoeling om na het weekend nog wel even terug te gaan naar Sonnevanck. De directe collega’s vonden haar soms dromerig en afwezig met haar gedachten. Zat Doetie hierbij te twijfelen over haar werk of woonde er een man in haar hoofd?
Op de dag van de verdwijning zei ze dat ze wilde gaan fietsen, omdat het weer zo was opgeknapt. En dan kon ze meteen voor een van haar collega’s een stuk zeep meebrengen vanuit de stad. Toen op Tweede Paasdag het stoffelijk overschot van Dieuwerke werd gevonden, had ze geen zeep bij zich.
Sectierapport
Patholoog-anatoom dr. Jan Zeldenrust trekt in zijn sectierapport drie belangrijke conclusies: Op basis van de maaginhoud en het tijdstip van haar laatste maaltijd gaat hij ervan uit dat Dieuwerke op 6 april tussen 15.30 uur en 18.00 uur is overleden. De rijksrecherche beperkt die tijdsbepaling later tot tussen 16.00 en 17.00 uur. Verder is het overlijden een rechtstreeks gevolg van een krachtige omsnoering van de hals met een halsdoek. Hij concludeert dat de aangetroffen omstandigheden een ongeval uitsluiten en zelfmoord in hoge mate onwaarschijnlijk maken. Het is in dit geval het meest aannemelijk dat een ander haar heeft gewurgd met haar eigen sjaal. Een vermeldenswaardig detail, ten slotte, is dat Zeldenrust ook constateert, dat Dieuwerke nog maagd was.
Meningen verdeeld
Een aantal betrokkenen, waaronder enkele politiemannen, concludeert dat Dieuwerke waarschijnlijk door zelfmoord om het leven is gekomen. Gezien het oordeel van forensisch patholoog Dr. Zeldenrust is dit een opmerkelijk standpunt. De argumenten hiervoor zijn onduidelijk. Veel verder dan dat Dieuwerke soms wat depressief was, komt men niet. In meerderheid gaat men echter uit van moord. De politie houdt rekening met de mogelijkheid dat zij niet op de vindplaats is gedood, maar op een later moment daar is gedumpt. Men vindt het namelijk vreemd dat er nog helemaal geen dennennaalden, takjes, blaadjes e.d. op haar lichaam liggen. Dat zou na vijf dagen erg onlogisch zijn. Ook opgedroogde druppels laten sporen achter op een regenjas en dit was bij Dieuwerke niet het geval. Het later neerleggen van het lijk zou trouwens een verklaring kunnen zijn voor het feit dat de wandelaars het dode lichaam duidelijk zagen liggen en de groep gericht zoekende militairen enkele dagen eerder niet.
Anonieme brief

Politie en justitie ontvingen al op 14 april een anonieme brief, die op de Leuvenumseweg in de brievenbus was gedaan. De autoriteiten brengen de brief echter pas begin november uitgebreid in de publiciteit. De schrijfster, verpleegster van beroep, meldde dat ze Dieuwerke op 6 april had gezien. Ze legde uit dat ze die dag in het bos een afspraakje had met een militair. De twee waren allebei aan het werk, maar er stiekem een poosje tussenuit geknepen. Tijdens hun rendez-vous in de bosjes hoorden ze om kwart over vier stemmen in de verte. De verpleegster ging uit nieuwsgierigheid kijken en zag van een afstandje Dieuwerke, samen met een vreemde, lange man. Deze riep op vitterige toon tegen Dieuwerke: “Schiet op, ik heb niet de hele dag de tijd.” De man was volgens de verpleegster gekleed in een uniform met witte koorden en een platte pet. Dit zou kunnen wijzen op iemand van de marechaussee. Het was in ieder geval aanleiding voor een vergeefs onderzoek in de Willem George Frederik-kazerne te Harderwijk.
De briefschrijfster is dus een belangrijke getuige. Helaas lukt het de autoriteiten niet haar uit de anonimiteit te halen. Ook haar verloofde, de soldaat, heeft zich nooit gemeld. Angst voor bestraffing vanwege hun ondisciplinair gedrag weegt kennelijk zwaarder dan hun plicht als burger, concludeert de officier van justitie. Hij laat hen via alle kanalen straffeloosheid beloven voor hun gedrag, maar ook dit helpt niet. De officier verklaart hierover diep teleurgesteld te zijn.
Tegelijkertijd kan niet worden uitgesloten dat het verhaal in de brief verzonnen is. En dan is het logisch dat er niet gereageerd wordt op oproepen om zich te melden. Deskundigen oordelen dat het om een gefingeerd handschrift gaat. Het verhaal zelf lijkt nogal geconstrueerd. Ook weet men niet zeker of het wel door een vrouw is geschreven. Er worden zo´n vierhonderd handschriften van zorgmedewerkers in Harderwijk en omgeving vergeleken met de anonieme brief. Ook dit onderzoek blijft zonder resultaat. We achten het overigens heel goed mogelijk dat de dader de brief zelf heeft geschreven (of laten schrijven) om een dwaalspoor uit te zetten.
Het onderzoek
Na de vondst van het slachtoffer wordt een politieteam geformeerd om een uitgebreid moordonderzoek op te starten. De hele kwestie zou ruim een jaar duren. Duizenden militairen in de kazernes van Harderwijk en Ermelo zijn in die tijd doorgelicht. Uiteraard bestudeert men uitvoerig alle binnenkomende tips. De ‘lijst’ met als dubieus bekendstaande individuen wordt eveneens afgewerkt. Al deze acties leveren niets op.
De politie doorzoekt trouwens al voordat Dieuwerke gevonden wordt haar kamer in Sonnevanck. De belangrijkste zaken die men daar aantreft: enkele brieven aan vriendinnen en familie, een paar foto’s van mannen in uniform en een notitieboekje. In meerdere van die brieven vertelt Dieuwerke dat ze Rein de Wit, een oude bekende, op vrijdag 25 maart in Harderwijk is tegengekomen en dat ze een eindje met hem is meegefietst. Ook in haar notitieboekje staat dat vermeld.
Een functionaris van de gemeentepolitie Harderwijk gaat direct bij Rein de Wit op bezoek in de hoop dat die hem wat meer kan vertellen over de vermiste Dieuwerke. Volgens het politierapport verklaart De Wit hem: “ik heb haar vroeger wel een keertje ontmoet, maar in Harderwijk heb ik haar niet gezien of gesproken. Wel heb ik haar destijds uitgenodigd om mij en mijn vrouw te bezoeken, wanneer zij eenmaal op Sonnevanck zou zijn.” Deze verklaring strookt niet met wat er in de brieven van Dieuwerke staat en dus gaan er alarmbellen af. De politie probeert, in de weken en maanden die volgen, meer informatie over Rein de Wit te vergaren. Ook wordt een rijksrechercheur uit Arnhem op de zaak gezet.

Bandeloze hengst
Een kennis van de familie, psychiater van beroep, verklaart over De Wit het volgende: “De door u bedoelde Rein viel in het christelijke gezin volkomen buiten de toon. Deze jongen was een vrijbuiter en een kwast. Hij ging nogal de baan op, dat wil zeggen dat hij continu de meisjes achternaliep. Hij was grof in de mond. Ik zou hem een bandeloze hengst willen noemen. En ook een psychopathische persoon.”
Uiteindelijk zijn er te weinig aanknopingspunten voor de vervolging van Rein de Wit. De conclusie van de rijksrechercheur: “Omtrent hem zijn geen feiten of omstandigheden bekend geworden, die hem met de dood van Dieuwerke van der Vlegel in verband zouden kunnen brengen.” Justitie neemt hier genoegen mee. In juni 1956 gaat het onderzoek als onopgelost de boeken in.
Bloemen op het graf
Het blijft dan een decennium lang stil rond de moord, maar in 1966 ontstaat er opeens nieuwe aandacht voor de zaak. Met Pasen zet iemand een vaasje met bloemen op het graf van Dieuwerke. Dit gebeurt niet door familie of bekenden. Men wil heel graag weten wie het gedaan heeft. De politie probeert dit te achterhalen en ontdekt dat het vaasje in Grijpskerk is gekocht, maar verder komt men niet.
Op zaterdag 21 mei 1966 verschijnt vervolgens in het Algemeen Dagblad een groot artikel over de onopgeloste moord op Dieuwerke van der Vlegel. Men hoopt dat hiermee eindelijk de juiste tongen worden losgemaakt, maar alle publiciteit levert wederom niets op. Wel krijgen twee andere rijksrechercheurs het jaar erna de opdracht om het moorddossier nog eens ter hand te nemen. Ze spitten het helemaal door om te zien of zij nieuwe inzichten kunnen opdoen. Voor hen is het duidelijk: we moeten toch echt bij Rein de Wit zijn.
Nieuwe hypothese
De rechercheurs trekken de conclusie dat Dieuwerke vrijwel direct is overleden, maar dat dit niet in het bos is gebeurd. Hun hypothese is dat ze naar het huis van Rein de Wit in Harderwijk is gefietst en dat daar misschien iets van ruzie kan zijn ontstaan. Ze zien jaloezie als een mogelijk motief voor een conflict. De Wit is rond vier uur op zijn fiets gestapt en van het werk naar huis gegaan. Hij zou dan tegen kwart over vier thuis zijn gekomen. (OCC: Dieuwerke zou daar eerder hebben kunnen/moeten arriveren. Zat ze dan al met mevrouw De Wit te praten toen Rein binnenkwam, of heeft ze hem buiten opgewacht?)
Volgens de rijksrechercheurs wijst een aantal zaken erop dat het lijk pas veel later in het bos is gelegd. Deze zijn in het politiedossier al benoemd en worden tijdens een bijeenkomst in Den Haag opnieuw bevestigd door Zeldenrust en Froentjes, de specialisten van het Gerechtelijk Geneeskundig Laboratorium. De rechercheurs vermoeden dat de anonieme brief door De Wit of zijn vrouw is geschreven om voor Rein een alibi te creëren.
In de anonieme brief wordt kwart over vier genoemd als het tijdstip waarop de verpleegster in het bos stemmen hoorde. En kwart over vier is ook precies de tijd waarop De Wit thuiskwam. Verder wordt in de brief de plaats van de moord gesitueerd in het bos langs de Koeweg in de buurt van Sonnevanck; terwijl Harderwijk toch de plek was waar Dieuwerke heen fietste. De rechercheurs wijzen hierbij ook op een verklaring van de zus van Dieuwerke die zegt: “Doetie had een afkeer van bossen. Ze zou nooit alleen of met een man het bos in fietsen.” Ten slotte wordt met de vermelding van ‘witte koorden’ gesuggereerd dat de man die door de briefschrijfster zou zijn gezien, van de marechaussee was; De Wit werkte ergens anders.

Het verhoor
Rein de Wit, inmiddels flink opgeklommen in de rangen van het Nederlandse leger, wordt in april 1967 door de beide rijksrechercheurs te Apeldoorn verhoord in het bijzijn van een majoor van de Koninklijke Marechaussee. Hoewel de moord op Dieuwerke een ingrijpende gebeurtenis moet zijn geweest, lijkt hij toch moeite te hebben enkele feiten uit zijn geheugen op te diepen.
In eerste instantie meldt Rein dat hij Dieuwerke van der Vlegel niet kent; daarna zegt hij dat hij haar misschien één keer heeft ontmoet. De rechercheurs vermoeden dat Dieuwerke en Rein elkaar beter hebben gekend dan de laatste wil laten blijken. Als ze doorvragen, begint De Wit langzaam maar zeker meer details prijs te geven.
Zo zou hij misschien wel met haar gecorrespondeerd kunnen hebben toen ze nog niet in Harderwijk zat. Mogelijk is er ook telefonisch contact geweest. Verder is hij een keer over de Leuvenumseweg met haar meegefietst en Dieuwerke is een maand voor haar verdwijning bij de familie De Wit thuis geweest, nadat hij haar had uitgenodigd. De ondervragers vinden het opvallend dat Rein stelt dat hij haar achternaam niet gekend heeft.
Makkelijke prooi
Tijdens het verhoor begint Rein de Wit steeds meer te praten: “Ik had haar vroeger, toen ik nog niet in Harderwijk woonde, al een paar keer ontmoet. Ze kwam uit een streng gereformeerd gezin; volgens mij wilde ze los van haar ouders en die omgeving. Dieuwerke was een makkelijke prooi, als men iets van haar zou willen. Misschien is ze wel naar Harderwijk gekomen om militairen te ontmoeten.” De Wit zegt vervolgens dat hij de onderzoekers wil helpen en met ze meedenken. Hij begint uit zichzelf over de optie dat ze misschien later op de vindplaats is neergelegd; dat zou met een auto gebeurd kunnen zijn. Twee keer zegt Rein, wederom uit zichzelf, dat Dieuwerke misschien wel zwanger was. Na de tweede keer vertellen de rijksrechercheurs dat onderzoek heeft uitgewezen dat dit niet het geval geweest is. Dan weer zegt De Wit dat ook zelfmoord een mogelijkheid is.
Confrontatie
Als ze Rein de Wit voldoende hebben laten praten, confronteren de rechercheurs hem plotseling met zijn verklaring in het politierapport van 8 april 1955. Hierin zegt De Wit tegen de politiefunctionaris die bij hem op bezoek was, dat hij Dieuwerke in Harderwijk niet gezien of gesproken heeft. Rein raakt op dit moment duidelijk van slag. Hij zegt dat zijn verklaringen in het politierapport onjuist zijn weergegeven. “Ik heb haar ontmoet en ze is bij ons thuis geweest. Het is in dat proces-verbaal niet juist vermeld!” De Wit ondersteunt met twee handen zijn hoofd en gaat naar beneden zitten staren. Hij wordt rood, zwijgt even en gaat dan verder: “Nu ga ik twijfelen, of ze wel echt bij ons geweest is, of dat dit alleen maar is afgesproken.”
Veel tegenstrijdigheden

De rijksrechercheurs beschikken ook nog over een getuigenverklaring van iemand die stelt: “Rein de Wit vertelde ons tijdens een conversatie over Dieuwerke op een feestje enkele maanden na de moord: ‘Ik vermoed dat ik die woensdag met dat meisje ben meegefietst.’ Zijn vrouw greep toen direct in met de opmerking: ‘Schei nou maar eens uit over die meisjes van Sonnevanck!’ De Wit ging toen op een ander onderwerp over.”
Rein spreekt zichzelf, in de ogen van de rechercheurs, dus regelmatig tegen, vooral als het gaat over de vraag wanneer hij Dieuwerke heeft ontmoet en hoe goed hij haar heeft gekend. Het ziet er naar uit dat hij zich met al zijn antwoorden in de nesten heeft gewerkt. Heeft De Wit misschien pas ná zijn eerste verklaring van vrijdag 8 april 1955 ontdekt, dat hij genoemd werd in Dieuwerkes brieven? En heeft hij daarom later zijn verhaal aangepast?
Na het gesprek gaan de rechercheurs naar Harderwijk om de vrouw van De Wit te horen; Rein moet in Apeldoorn blijven. Hij zegt dat hij zijn echtgenote wil bellen om hun komst aan te kondigen. Dit wordt uiteraard niet toegestaan! Volgens mevrouw De Wit heeft haar man Dieuwerke in de kerk ontmoet en haar toen uitgenodigd. Ze is enkele dagen voor haar verdwijning bij hen thuis geweest. Kortom, de rijksrechercheurs krijgen allesbehalve eensluidende antwoorden. (OCC: Uit eigen onderzoek kwam nog naar voren dat de vrouw van Rein, vlak na de vondst van Dieuwerke, een actie ondernam die normaal gesproken weinig om het lijf zou hebben, maar gezien de situatie zeer opmerkelijk is te noemen. Wellicht later meer hierover.)
Onvoldoende bewijs
De vrouw van De Wit wordt vervolgens aan een handschriftonderzoek onderworpen. Hier komt uit dat zij hoogstwaarschijnlijk niet de anonieme briefschrijfster is. De rechercheurs vinden dit onderzoek echter zeer onder de maat en stellen dat er meer materiaal verzameld zou moet worden. Bloedgroeponderzoek geeft aan dat er een match is tussen mevrouw De Wit en de persoon die aan de enveloppe van de anonieme brief heeft gelikt. Punt is alleen dat deze bloedgroep zeer veel voorkomt. De rijksrechercheurs hebben een duidelijk scenario voor ogen, maar het blijft moeilijk om voldoende bewijs te vinden. Wel geven ze aan dat ook het gedrag van Rein en zijn vrouw beslist aanleiding geeft om te veronderstellen dat ze beiden bij het overlijden van Dieuwerke betrokken kunnen zijn, zolang iets anders niet gebleken is. Maar het werkt in ons rechtssysteem natuurlijk andersom: iedereen is onschuldig totdat het tegendeel bewezen is.
De onderzoekers leggen hun bevindingen voor aan justitie. De politieman, die twee dagen na de vermissing bij Rein de Wit is geweest, wordt vervolgens uitgenodigd door de Rechter-Commissaris. Deze is benieuwd wat de man nog weet van zijn bezoek en rapport van destijds. Tot zijn verrassing zegt de Harderwijker politiefunctionaris zich te herinneren dat Dieuwerke van der Vlegel bij Rein de Wit op bezoek is geweest. Als hij zijn eigen politierapport van veertien jaar geleden onder zijn neus geschoven krijgt, reageert hij nogal nuchter: “Ik zou natuurlijk moeten uitgaan van wat ik in mijn rapport lees, maar het staat me bij dat Dieuwerke de heer De Wit heeft bezocht. En van wie anders zou ik dat gehoord moeten hebben dan van De Wit zelf?”
Het hernieuwde onderzoek wordt in juni 1969 gesloten. Rechter-Commissaris en Officier van Justitie antwoorden de rijksrecherche dat ze ‘geen heil zien in nadere verhoren’ en dat er ‘geen uitzicht is op strafvervolging van de dader’.

Peter R. de Vries
Peter R. de Vries, de bekende misdaadverslaggever, heeft zich ook met de onopgeloste moord op Dieuwerke van der Vlegel beziggehouden. In het boek ‘De moord die nooit mag verjaren’ uit 2002 beschrijft De Vries op pagina 205 dat hij een tip over deze zaak had gekregen:
“Er was een mailtje van een man die inmiddels in de Verenigde Staten woont en zich afvroeg of er misschien meer bekend was geworden over een moord die in april 1955 in de bossen bij Harderwijk was gepleegd. Hij wist niet alle details, maar het ging om een verpleegster in opleiding uit Groningen die Dieuwerke van der Vlegel zou heten en meestal ‘Doetie’ werd genoemd. Ze zou begraven zijn in Grijpskerk. De schrijver beweerde dat hij van een betrouwbare politiebron destijds had vernomen dat de moordenaar een vooraanstaande, bekende Nederlander was en dat hij om die reden nooit is gearresteerd. Een soort protectie van bovenaf.”
En het jaar daarop maakt De Vries in het artikel ‘De zaak die mij bezighoudt’ (Panorama nr. 35, 2003) melding van een andere aanwijzing:
“De schrijfster had een vriendin, die tien jaar geleden in het Leuvenumsebos, vlakbij de plaats delict, het voormalige huis van de boswachter kocht. Gezamenlijk waren zij het aan het opknappen, toen er iets merkwaardigs gebeurde. ‘Toen wij een oude paneeldeur afschuurden, kwam daar ineens een tekst onder tevoorschijn, die daar, met een ouderwets handschrift met een balpen in gedrukt was. Er stond:
Geachte heer Ter B., beken de moord op Diewertje van de Vlegel en uw geweten zal rust hebben!’
De twee vriendinnen vermoedden dat de tekst is geschreven door de voormalige boswachter en met Ter B. werd volgens hen de toenmalige politiecommissaris aangeduid. En daarmee krijgt de bewering dat de dader in deze zaak mogelijk bescherming van hogerhand heeft gekregen toch enige voeding.”
Wordt Ter B. er hier van beschuldigd de dader van de moord te zijn, of probeert de schrijver van de tekst op de paneeldeur te zeggen dat Ter B. weet wie de dader is? De tip die De Vries uit de Verenigde Staten kreeg, lijkt op het tweede te wijzen.
Wie is Ter B. ?
OCC Culemborg denkt te weten wie met Ter B. wordt bedoeld. Dat hij bij de moord betrokken geweest zou zijn, achten we geen reële optie. Wel dat hij op de hoogte was van de zware verdenking tegen die “vooraanstaande Nederlander”. Het is echter nog maar de vraag of Ter B. en anderen daadwerkelijk iemand de hand boven het hoofd hebben gehouden, of dat hier slechts sprake is van een gerucht, zoals die vaker in onopgeloste moordzaken de ronde doen. Een verdenking is namelijk nog geen hard bewijs.
Naar aanleiding van onze berichtgeving over deze zaak kregen we van een voormalig zorgmedewerkster overigens nog de bevestiging dat in de jaren zeventig van de vorige eeuw ook in Sonnevanck het verhaal verteld werd, dat een geüniformeerd en hooggeplaatst functionaris bij de moord betrokken was. Dieuwerke zou daar een relatie mee hebben gehad.

De dominee
Wordt met de ‘vooraanstaande Nederlander’ en de ‘geüniformeerde en hooggeplaatste functionaris’ soms Rein de Wit bedoeld? Het lijkt ons zeer waarschijnlijk. De naam Rein de Wit is overigens gefingeerd. De werkelijke naam is bij ons bekend. Deze man is al langere tijd geleden gestorven. Enkele maanden na dit overlijden is door een vrouw meerdere malen geprobeerd telefonisch contact te zoeken met een nichtje van Dieuwerke van der Vlegel. Dit gebeurde via een vaste telefoonlijn; het nummer bleek van een dominee te zijn. Het lukte bij terugbellen niet de vrouw aan de telefoon te krijgen. Later heeft bij het nichtje de gedachte postgevat dat Rein de Wit mogelijk vlak voor zijn overlijden tegenover de dominee nog zijn hart heeft willen luchten over de moordzaak. Of dat kinderen van Rein misschien bij hem te rade zijn gegaan.
Hoewel het sterfgeval en het telefoontje volledig los van elkaar kunnen staan, vinden we het vermoeden van de nicht zeer begrijpelijk. We hebben daarom contact gezocht met de dominee. Deze zegt zich echter niets te kunnen herinneren van een telefoontje. De zaak Dieuwerke van der Vlegel zegt hem ook niets. Vervolgens hebben we de kinderen van De Wit benaderd met de vraag of ze een gesprek met het nichtje willen aangaan. Uiteraard in de hoop dat die kinderen enkele vragen, waar de nazaat van het slachtoffer al jarenlang mee rondloopt, zouden kunnen beantwoorden. Helaas wil men niet aan zo’n ontmoeting meewerken. Tegenover ons is ook inhoudelijk geen reactie gegeven. Wij respecteren dat, maar vinden het wel een gemiste kans. Al was het maar om mogelijkheden en verdenkingen uit te sluiten. Dat zou voor nabestaanden een enorme opluchting kunnen betekenen.
OCC Culemborg heeft inmiddels uitvoerig gesproken met de tipgever uit Amerika. Vervolgens hebben we aanvullend onderzoek verricht naar de mogelijkheid dat Rein de Wit, als hooggeplaatst legerofficier, bescherming zou kunnen hebben genoten. Hij blijkt een aantal opmerkelijke connecties te hebben gehad. De optie ‘protectie van hogerhand’ moet daarom, wat ons betreft, zeker niet op voorhand afgewezen worden!
Vragen
Dit is een erg oude moordzaak en betrokkenen zullen over het algemeen niet meer leven. Toch willen we u enkele vragen stellen in de hoop dat daar nog tips uit voortkomen. Kinderen van betrokkenen kunnen namelijk in familiekring ook wel iets van die gebeurtenissen meegekregen hebben. Mocht u iets weten, neem dan vooral contact met ons op!
Zijn er nog mensen die destijds in Harderwijk woonden of werkten en meer weten over een geheime relatie tussen Dieuwerke en ‘Rein’? En zijn de twee in die periode in Harderwijk samen gezien?
We zouden natuurlijk graag weten van wie de anonieme brief was. Wellicht kennen kinderen van de schrijver/schrijfster het geheim hierachter.
Wie kan er meer vertellen over de beschuldiging op de deur van de boswachterswoning?
De familie Van der Vlegel kreeg ten tijde van het onderzoek de naam Henk Schuitema/Schuytema voorgeschoteld. Deze zou ergens tussen 1945 en 1955 bij de politie in Assen hebben gewerkt. De man is echter nooit gevonden. Wie kan hier inlichtingen over verstrekken?
Als het lichaam van Dieuwerke pas later op de vindplaats is neergelegd, is natuurlijk de vraag waar het lijk in de tussentijd gelegen heeft. Wie is bekend met mogelijke schuilplaatsen in de bossen tussen Harderwijk en Ermelo in de jaren 50 of heeft hier anderszins een interessante theorie over?
Een aantal functionarissen dacht dat het in deze zaak om zelfmoord zou gaan. Heeft iemand hier in het verleden wel eens verhalen over gehoord, bijvoorbeeld dat dit een afleidingsmanoeuvre geweest zou zijn?
Deel dit artikel of ga direct naar ons verhaal over de moord op Corry Theeuwes.